Dieren- en vogelfotografie wordt meestal gedaan met telelenzen en supertelelenzen. Langere brandpuntsafstanden maken het mogelijk om schuwe onderwerpen op afstand te fotograferen, waardoor het vastleggen van beslissende momenten gemakkelijker wordt.
Telelenzen van ca. 100 mm leggen zowel het onderwerp als de omgeving op een evenwichtige manier vast. Bij brandpuntsafstanden vanaf 400 mm helpen supertelelenzen om de achtergrond te vereenvoudigen en het onderwerp beter te isoleren.
Bij portretfotografie beïnvloed de keuze van de lens de scherptediepte van de achtergrond en het perspectief. Een grote maximale diafragmaopening zorgt voor een zachte bokeh en helpt om het onderwerp los te koppelen van de achtergrond. Groothoeklenzen plaatsen een onderwerp in de context van de omgeving en benadrukken het perspectief. Telelenzen in het bereik van 85-135 mm bieden een natuurlijk perspectief voor portretfotografie, waarbij het onderwerp en de achtergrond op een evenwichtige manier in beeld worden gebracht. Langere telelenzen kunnen natuurlijke expressies vastleggen en het onderwerp scherper van de achtergrond scheiden.
In landschapsfotografie bieden lenzen variërend van groothoek tot telefoto verschillende mogelijkheden om een scène vast te leggen en te interpreteren. Ultrabrede lenzen leggen uitgestrekte landschappen vast en benadrukken tegelijkertijd de diepte en het perspectief. Telelenzen kunnen ook effectief zijn voor landschapsfotografie, omdat ze door het compressie-effect ervoor zorgen dat verre elementen dichter bij elkaar lijken te liggen. Met deze aanpak kun je composities maken die meer precies en impactvol zijn.